Evelien Polter

INTERVIEW

Toekomst van de vakbeweging interview Saskia Boumans

Leestijd ongeveer 7 minuten

Saskia Boumans doet promotieonderzoek naar werkgeversstrategieën en de ontwikkeling van cao’s aan de Universiteit van Amsterdam en is beleidsadviseur bij de FNV. Binnenkort komt het door haar samengestelde boek Denkend aan 14 euro – over het minimumloon en de lage lonenindustrie uit.

In mijn promotieonderzoek vraag ik mij onder andere af welke beleidsideeën georganiseerde werkgevers hebben over arbeidsvoorwaarden, en hoe zich dit sinds de jaren ‘70 heeft ontwikkeld. Mij vallen drie dingen op.
Ten eerste, georganiseerde werkgevers zijn heel koersvast. Ze hebben al decennia een beperkte agenda omkleed met één verhaal: alleen een internationaal competitief bedrijfsleven voor werkgelegenheid, en daarmee voor welvaart voor iedereen, kan zorgen. Om dit te realiseren zijn met name matiging van loonkosten en flexibilisering van arbeidstijden essentieel. De laatste veertig jaar is dit ongeacht de economische en arbeidsmarktsituatie hun koers. In die zin zijn het echt ideologische organisaties.
Het tweede dat opvalt, is dat arbeidsvoorwaarden en macro-economisch beleid bijna volledig zijn losgekoppeld. Het gevolg hiervan is dat de cao steeds meer een werkgeversinstrument is geworden voor HR-beleid op bedrijfsniveau en steeds minder een instrument dat ook macro-economisch beleid mee vorm geeft. Lonen worden daardoor bijvoorbeeld vooral gezien als kostenpost in plaats van ook als middel om consumptie mee op pijl te houden.
Het laatste dat ik hier wil noemen, is dat georganiseerde werkgevers de Stichting van de Arbeid slim gebruiken om hun agenda verder te brengen. Het afschaffen van de toeslag voor avond- en weekendwerk, het oprekken van de werkdag, het matigen van de loonontwikkeling, prestatiebeloning enzoverder – zijn allemaal voorstellen van werkgevers waar de handtekening van alle sociale partners onder staan.

U werkt bij de FNV. Waartoe is naar uw mening de vakbeweging op aarde?
De kerntaken van de vakbeweging zijn wat mij betreft: de onmiddellijke verbetering van werk- en leefomstandigheden van mensen én een fundamentele verandering van economische en maatschappelijke verhoudingen. Daarom ben ik ook zo blij de campagne om het minimumloon te verhogen naar 14 euro per uur. Veel mensen zullen er dan in inkomen op voor uit gaan én het verandert de economische verhouding tussen winst en werk. Op 1 mei is bij Van Gennep Denkend aan 14 euro uitgekomen, dat ik heb samengesteld. Hierin geven wetenschappers, activisten en mensen uit het maatschappelijk middenveld hun visie op het huidige minimumloon en hoe het anders kan.

In de publicatie Positie en strategie van vakbeweging uit 2018 van De Burcht gaat u samen met Wim Eshuis in op verschillende strategieën van vakbonden. Zo zijn er vakbonden die vooral sociaal partner zijn en ‘het algemeen belang’ dienen en vakbonden die vooral bezig zijn met de economische belangen van hun leden. U ziet beide strategieën terug bij de FNV. Zijn er ook nog andere mogelijkheden?
Wat opviel tijdens het schrijven van het artikel was dat een strategie gebaseerd op tegengestelde belangen tussen werkgevers en werknemers vrijwel niet aanwezig is in de Nederlandse vakbeweging. Dat heeft verregaande gevolgen voor de relatie tussen de vakbonden en hun potentiële achterban. Vakbonden hebben in Nederland sterk de neiging om hun onderhandelingsresultaten te verdedigen. Als een cao eenmaal is goedgekeurd door de leden wordt het resultaat met hand en tand verdedigd. Hetzelfde zien we bij het landelijk sociaal overleg. Dat lukt of mislukt, meer smaken zijn er niet. Het achterliggende mechanisme is dat in het Nederlandse systeem van sociaal partnerschap een onderhandelingsresultaat in essentie wordt gezien als het resultaat van een openhartig gesprek waarbij elke partij zijn best doet ‘het algemeen belang’ te dienen. Dus áls er een resultaat is, is dat per definitie goed. Het is de vraag of dat ooit zo heeft gewerkt, maar nu in ieder geval niet. De uitkomsten zijn daar te onevenwichtig voor. Een alternatief zou kunnen zijn dat vakbonden een cao of sociaal akkoord gaan zien als het resultaat van de machtsverhouding tussen de partijen. Het voordeel is dat zo een oprechtere relatie met de brede achterban van vakbonden mogelijk is. Het is dan belangrijk om eerlijk te zijn over de initiële inzet, wat er wel en niet gerealiseerd is, en te bespreken hoe de toekomst er uit ziet.

U stelt in deze publicatie de vraag of de Nederlandse vakbeweging na decennia neoliberalisme de belangrijke vragen van nu het hoofd kan bieden. Als mogelijk knelpunt noemt u dat werkgevers en overheid geen interesse hebben in het herstellen van het sociaal partnerschap. Kan de FNV dit oplossen?
Werkgevers en overheid kunnen zich op een aantal terreinen desinteresse veroorloven, omdat zij de vakbeweging niet nodig hebben om zaken te regelen. Als de vakbeweging weer sterker wordt, dan worden werkgevers en overheid opnieuw vragende partij. Maar, gaat dit op tijd lukken? Het aantal vakbondsleden wordt vrij rap minder.

Het moet in elk geval duidelijk zijn dat sociaal partnerschap een methode is en geen doel. De methode werkt nu niet goed, omdat de machtsbalans is veranderd ten nadele van werknemers. Het voordeel van sociaal overleg om delen van de vakbondsagenda te realiseren, is dat het veel conflict vermijdt. Zonder sociaal overleg is alles een gevecht. De meeste mensen vinden ruzie vervelend en deprimerend, ik ook. Het kost bovendien veel tijd en geld. Maar de praktijk van de dag laat zien dat het nu nodig is. Er werd, voordat we in de pandemie terecht kwamen, bijvoorbeeld relatief veel gestaakt, met name door de FNV. De cijfers laten ook zien dat de loonsverhogingen bij FNV-cao’s beter zijn. Dit soort conflict is ook niet alleen vervelend. Het zorgt voor een gevoel van autonomie en samenhorigheid, een mooie combinatie. Zo bouwt de beweging zich verder op. 

Tijdens de coronacrises zit de vakbeweging mee aan het stuur van de staat om over regelingen ten behoeve van getroffen werknemers, ZZP-ers en bedrijven te beslissen. Heeft ze daarvoor voldoende macht, kennis en steun in de werkende bevolking om daadwerkelijk en voldoende op te komen voor hen? 
Wat telkens opnieuw uit onderzoek blijkt, is dat de vakbeweging veel vertrouwen geniet onder de bevolking. Ik kan me niet voorstellen dat dat nu anders is. Ik heb de indruk dat het nu in de media ook positief wordt opgepakt dat vakbonden voor de rechten van werkenden staan. Wat ik jammer vind, is dat er door de vakbeweging niet gepleit wordt voor sociale eisen gekoppeld aan financiële steun aan bedrijven. Tien jaar geleden hebben we gezien dat de verliezen in de crisis werden gesocialiseerd terwijl jarenlang de opbrengsten waren verdeeld over een kleine groep. Laten we die fout niet opnieuw maken. De krappe financiële reserves van veel grote en zeer winstgevende bedrijven zijn het gevolg van de grote sommen geld die jaren richting aandeelhouders zijn gegaan. Waarom niet eisen dat als een bedrijf financiële steun wil de boeken open moeten, eventuele belastingrulings worden stopgezet, er geen dividend wordt uitgekeerd, de overheid een aanzienlijk belang verwerft en het verbod op ontslag van alle werkenden inclusief zzp’ers wordt verlengd? Voor wat hoort wat.
Een ander punt is dat alle Corona-regelingen geënt zijn op de noden van bedrijven. Werkenden komen er bekaaid af. Zo’n regeling als de NOW, waarbij bedrijven bij omzetverlies loonkostensubsidie krijgen, is een goede regeling, maar voornamelijk gericht op personeelsbehoud voor bedrijven. Eigen, zelfstandige rechten als werknemer heb je in deze regelingen niet. Als je als werknemer niet in staat bent om te werken, omdat je zorgtaken hebt of omdat je het niet redt om naast het thuisonderwijs van je kinderen ook nog te werken, dan ben je overgeleverd aan de goedtierigheid van je werkgever. Als werkende kan je nergens aankloppen voor financiële steun. Dat is oneerlijk en had beter gekund.

In het Financieel Dagblad van 20-11-2019 vertelt emeritus-hoogleraar sociologie Jelle Visser het volgende: ‘Ik had laatst gesprek met een leuke, ambitieuze oud-collega van midden 40 die hoog was opgeklommen binnen de vakbeweging. Ze vertelde dat ze ontslag had genomen. Ik was verbaasd: waarom? Ze zei dat ze er alles aan had gedaan om de bond te moderniseren maar dat ze weinig voor elkaar kreeg. Ze voelde zich verloren in de té ouderwetse mannenwereld en gaf het gevecht op. Tragisch, maar je ziet het vaker.’ Herken je het beeld dat Visser hier schetst?
Ja en nee. Wat ik niet herken in het beeld van Jelle Visser is dat de vakbeweging een mannenbolwerk zou zijn. Ik ben er trots op dat veel ‘hoge’ posities in de FNV bezet worden door vrouwen. In weerwil van het beeld dat vaak geschetst wordt, werken er ook veel jonge mensen en mensen van kleur bij de FNV. De leden zijn inderdaad bovengemiddeld vaak man, ouder en wit – gelukkig zijn zij wél lid, denk ik dan.

Ik herken een gevoel van verlorenheid, of moedeloosheid eigenlijk. Ik houd veel van het idee onderdeel te zijn van de vakbeweging, maar de praktijk vind ik niet altijd prettig.

“Ouderwets en moderniseren” – staat in het artikel wat Jelle Visser of de oud-collega hiermee bedoelen? Mijn moedeloosheid komt voor een belangrijk deel door dit soort versluierende woorden. De FNV is een grote organisatie met een enorme ambitie en werkveld. De FNV sluit meer dan 700 cao’s af voor bijna zes miljoen mensen, beheert mede miljarden aan pensioengeld, houdt zich lokaal, regionaal en nationaal met tientallen beleidsterreinen bezig, voert jaarlijks tientallen rechtszaken en staat tienduizenden leden op andere manieren bij in arbeidsconflicten, heeft tienduizenden kaderleden die ondersteund en geschoold willen worden in vakbondswerk, is Europees en internationaal actief, enzovoort. Er zijn dus stevige meningsverschillen over wat er gedaan moet worden en welke kant het op moet. Een van de problemen van de FNV is dat ze geen kanalen en geen interne cultuur heeft om dit soort meningsverschillen productief te maken. Om te zetten dus in woorden en denkkracht. ‘Ouderwets’, ‘moderniseren’ of ‘verbinding’ en ‘vertrouwen’ zijn dan makkelijke woorden om in de mond te nemen zonder duidelijk te maken wat het betekent. Het probleem met meningsverschillen die niet worden erkend, is dat ze ondergronds gaan en naar buiten komen via gevechtjes over posities of als cynisme. Dat is jammer, omdat het om essentiële keuzes gaat en wezenlijke discussies. Toen er bij de eerste voorzittersverkiezingen een aantal jaar terug twee kandidaten waren, vond ik dat een feestje voor de prille vakbondsdemocratie. Het platform bij de vorige bestuursverkiezingen was niet zo handig opgezet, maar in essentie vond ik het een goede aanpak. Ik hoop dat het bij het komende congres op een meer democratische manier verder inhoud wordt gegeven.

GEPUBLICEERD IN TIJD & TAAK, TIJDSCHRIFT VAN DE BANNING VERENIGING