Evelien Polter

Interview

Toekomst van de vakbeweging interview met Jelle Visser

Leestijd ongeveer 7 minuten

Emeritus-hoogleraar sociologie Jelle Visser doet al veertig jaar onderzoek naar het functioneren van de vakbeweging in binnen- en buitenland. Ter ere van het honderdjarig bestaan van de Internationale Arbeidersorganisatie (ILO) onderzocht hij de hamvraag: hoe ziet de toekomst van de vakbeweging eruit?

Waartoe is naar uw mening de vakbeweging op aarde? En voor wie? 
De vakbeweging is er om samenwerking en het gemeenschappelijk opkomen voor de belangen van alle werkenden (en allen die voor hun bestaan op werk zijn aangewezen) te bevorderen. De boodschap van de vakbeweging moet zijn dat alle mensen op aarde recht hebben op arbeid en van hun arbeid veilig en zeker kunnen leven. 

Wat zijn de ontwikkelingen in de samenleving waar de vakbeweging mee te maken heeft?
Vier recente en voor de nabije toekomst belangrijke ontwikkelingen worden in het Future of Work rapport van de ILO genoemd: (1) digitalisering, kunstmatige intelligentie en robots; (2) verdergaande mondialisering; (3) toegenomen ongelijkheid, met naargeestige gevolgen voor gezondheid, onderwijs en democratie; en (4) druk op het milieu en de levensbronnen van onze planeet. Elk van deze ontwikkelingen gaat ook de vakbeweging aan. Bij alles wat de vakbeweging doet of voorstelt moeten deze vier ontwikkelingen, en in welke richting we die willen sturen, meegenomen worden. De vakbeweging, en dan niet alleen maar samen met andere organisaties en bewegingen, moet op elk van deze ontwikkelingen een antwoord hebben. Welke kant moet het op, hoe komen we daar en hoe snel kan dat?

Tijdens uw lezing in De Burcht presenteerde u vier toekomstscenario’s voor de vakbeweging. Marginalisering, dualisering, vervanging en revitalisering.
We denken dat uw voorkeur uitgaat naar scenario vier, revitalisering van de vakbeweging. U noemt verjonging,
organising institutioneel ingebed, de combinatie van onderop, bovenaf en voor elkaar, uitbreiding naar niet werknemers en nieuwe vormen van representatie. Wilt u elk punt toelichten?
Ik denk dat elk van de vier scenario’s tot de mogelijkheden behoort. Als je zoals ik denkt dat een vakbeweging nodig is als tegenwicht tegen financiële belangen en machten, en tegen autoritaire en eigenmachtige politici en regeringen, dan kan alleen revitalisering hoop geven. Dat gaat niet zonder verjonging. Als eerste moet de vakbeweging aansluiting vinden bij jonge mensen, van wie vele helemaal geen werknemer-positie hebben en dat ook niet nastreven. In stijl, eisen en personen. Dat begint ermee te vragen wat jongere generaties willen, wat ze van een vakbeweging verwachten en hoe ze zich dat voorstellen. Daar moeten dan de passende organisatievormen en gezichten bij gezocht worden.
Ik heb onderzoek uit het verleden aangehaald waaruit blijkt dat organising (een methode overgewaaid vanuit de VS) alleen blijvende winst voor de vakbeweging oplevert als het ingebed kan worden in een vaste structuur van, bijvoorbeeld, regelmatig cao-overleg met vertegenwoordiging in de werksituatie en ledenraadpleging. Vergelijkend onderzoek toont eveneens aan dat die vakbonden er het beste voorstaan die zowel van onderop (in de werksituatie) als van bovenaf (nationaal overleg en centrale regelingen), en onder elkaar (onderlinge verzekeringen en steun, met politieke ondersteuning) georganiseerd zijn. De Nederlandse vakbeweging kenmerkt zich op dit punt door slingerbewegingen.               

Uw presentatie over de toekomst van de vakbeweging eindigde met de vraag ‘Wie is de Greta Thunberg van de (internationale) vakbeweging en waar zijn de “paniek” cijfers voor werknemersrechten, vergelijkbaar met de cijfers voor de opwarming van de aarde?’ Beoordeelt u de positie van de werknemers zodanig dat er een Greta Thunberg van de vakbeweging nodig is?
Zonder twijfel heeft Greta Thunberg en hebben de Fridays for Future-demonstraties van scholieren een nieuwe impuls aan de milieubeweging gegeven. Het gaat om de boodschap (als we nu niet handelen is het te laat en zijn we – jullie kinderen – de aarde voorgoed kwijt) en het gezicht (een jonge vrouw die het serieus meent en dat goed onder woorden kan brengen). Daarnaast heeft de milieubeweging een treurig voordeel: de dreigende catastrofe kan in een cijfer worden uitgedrukt, bij zoveel graad verdere aardopwarming wordt het proces van afsterven onomkeerbaar.
Ja, ik beoordeel de toestand van de internationale (en Nederlandse) vakbeweging zodanig, dat er urgent, doelgericht en met nieuwe gezichten iets gedaan moet worden. Ik kom tot deze conclusie op basis van het dramatische verlies aan lidmaatschap en aanhang van jonge mensen, al lang gaande en de voorbode van verdere verliezen in de nabije toekomst.      

In de publicatie Positie en strategie van vakbeweging uit 2018 van De Burcht gaan Saskia Boumans en Wim Eshuis in op het dilemma van de vakbeweging: kiezen voor een brede of smalle vakbeweging. Een brede vakbeweging werkt zij aan zij met sociale bewegingen aan algemene- en werknemersbelangen. Een smalle vakbeweging is er voor de werkenden of zelfs enkel alleen de leden.  Hoe kijkt u aan tegen dit dilemma? Is uw suggestie voor uitbreiding van de vakbond naar niet-werknemers, naar nieuwe vormen van lidmaatschap en representatie een keuze voor verbreding?
De vakbeweging moet een heldere boodschap uitstralen, voor wie en wat men er is. Daarbij moet de kerncompetentie scherp aangegeven worden – arbeid, arbeidsvoorwaarden, inkomen en zekerheid. En dat voor iedereen – alle werkende en allen die werk zoeken of op werk zijn aangewezen om in hun bestaan te voorzien. En dat overal op aarde en voor vluchtelingen en migranten evenzeer als voor ingezetenen. Maar de vakbond kan dat niet alleen en ze heeft ook niet overal verstand van. Het gebod is derhalve samenwerken waar dat kan en nodig is.       

Veel overheidsingrijpen lijkt alleen maar te gaan of zij wel de juiste, meest effectieve keuze maakt voor problemen op de arbeidsmarkt en met de klimaatcrisis. Veel problemen en crisissen worden zakelijk en/of technologisch opgelost. Het lijkt helemaal niet meer te gaan om politieke keuzes. Het politiseren van de sociaaleconomische keuzes, om deze zo tot onderwerp te maken van het democratische debat, lijkt bij uitstek een rol die geknipt is voor de vakbond. Bent u het daarmee eens?
Ik weet niet zo goed wat ik op deze vraag moet antwoorden. Ik geloof dat ik de populistische veronderstelling – democratisch debat versus technocratische oplossing – van de hand moet wijzen. De COVID-19 crisis leert ons dat we er goed aan doen nauwkeurig te luisteren naar wetenschappelijke adviezen en daarnaar te handelen. Dat is in milieuzaken en eigenlijk ook op het terrein van arbeid en inkomen niet anders. Ik ben van mening dat het gebrek aan eigen wetenschappelijk werk en ontbreken van samenwerking met de wetenschap de vakbeweging in de afgelopen twintig jaar veel ‘eigenwijsheid’ en weinig ‘wijsheid’ heeft opgeleverd. Uiteraard moet en kan de vakbeweging een bijdrage aan het democratisch debat leveren, maar los van gedegen studie en wetenschappelijke kennis blijft het resultaat noodgedwongen mager. De bijdrage van de Nederlandse vakbeweging aan het debat over, bijvoorbeeld, Europese samenwerking en solidariteit van werknemers is minimaal en er is weinig democratisch tegenwicht binnen vakbeweging tegen het betweterige, schaamteloze en kortzichtige Nederlandse optreden in Europa tijdens de Corona-crisis.

In februari  verscheen Kapitaal en Ideologie, het nieuwe boek van Piketty. Eén van de stellingen uit zijn boek is dat werknemers veel meer zeggenschap in bedrijven en instellingen moeten verwerven. Wat vindt u van Piketty’s stelling over meer zeggenschap voor werknemers in bedrijven?
Tja, zo algemeen gesteld kan ik daar wel voor zijn, but the devil is in the detail. Wat is ‘meer zeggenschap’? Arbeiderszelfbestuur, nationalisatie, spreiding van aandelenbezit, onze Wet op de Ondernemingsraden?  Zo’n wet zou niet minder dan een revolutie zijn als die in de VS zou worden ingevoerd. Minder share- en meer stake-holder belangen, daaronder die van de werknemers, dat is de uitdaging.     

De vakbeweging heeft via de besturen van de pensioenfondsen invloed op de beleggingen van de pensioenfondsen. Die fondsen zouden veel meer invloed op een klimaatvriendelijke economie, betaalbare woningen en betaalbare zorg kunnen uitoefenen dan nu. In de publicatie Positie en strategie van de vakbeweging pleit Mirjam de Rijk, nu directeur bij de vakbond FNV, voor het actief inzetten van pensioengeld voor een toekomstbestendige en werkersvriendelijke economie.  Hoe ziet u de rol van de bonden in de besturen van de pensioenfondsen?
Dit is nu zo’n voorbeeld waar wat ik in antwoord op  de tweede vraag zei van toepassing is. Bij de afweging van investeringskeuzes – waarbij de toekomst en zekerheid van pensioenen een allereerste afweging is – moet meegenomen worden wat de invloed is die daarmee uitgeoefend wordt op de vier genoemde ontwikkelingen. Bevordert het een zodanige inzet van kunstmatige intelligentie dat ons gezondheidsstelsel er beter van wordt, enzovoort.   

Tijdens de coronacrisis zit de vakbeweging mee aan het stuur van de staat om over regelingen ten behoeve van getroffen werknemers, ZZP-ers en bedrijven te beslissen. 
Heeft ze daarvoor voldoende macht, kennis en steun in de werkende bevolking om daadwerkelijk en voldoende op te komen voor hen?
Daar op moet ik het antwoord schuldig blijven. Ik heb geen opinieonderzoek uit Nederland gezien. Hier in Duitsland, waar ik tegenwoordig woon en de Corona-crisis uitzit, merk ik dat de vakbeweging, die stilzwijgend veel lopende Cao’s in de industrie met nul loonsverhogingen verlengt en zich inzet voor een betere beloning van verplegend, supermarkt en pakketdiensten personeel, veel steun onder de bevolking geniet. Ik merk dat er in deze crisis veel behoefte is aan centrale regie en tegelijk lokale uitvoering en dat de vakbeweging, ondanks alle tekortkomingen, daarin een belangrijke factor en stem kan zijn. Of het voldoende is als deze crisis en de beperkingen in economie en samenleving aanhouden en uitmonden in een diepe en lange recessie, weet ik niet. Maar iets anders hebben we niet. Een van de effecten van deze crisis is dat sociale bewegingen, straatprotesten, stakingen met blokkades en demonstraties niet mogelijk zijn. Dat mag niet te lang duren, maar ondertussen is het van groot belang dat er ‘bewezen’ instituties als de vakbeweging zijn.            

Wat kan het lonkende perspectief, het nieuwe inspirerende verhaal, van de vakbeweging zijn om het initiatief terug te winnen?  Past dit bij de strategie van revitalisering?
Direct in aansluiting bij de COVID-19 crisis, zijn vier boodschappen van belang, voor de vakbeweging en voor ons allen. Beloon en waardeer het werk en de mensen in de gezondheidszorg, winkels, pakketdiensten, veiligheidspersoneel, vuilnisophalers beter; maak dat alle werkenden en niet alleen werknemers recht hebben op inkomen en zekerheid (bij werkloosheid, bedrijfssluiting, ziekte, epidemie); garandeer minimale zekerheid voor de productie van essentiële goederen en diensten binnen het bereik van nationale en Europese grenzen; herwaardeer de lusten en lasten van globalisering, met tegelijkertijd  versterkte en verbeterde internationale samenwerking en solidariteit (via internationale organisaties). Dit zijn vier thema’s waar de vakbeweging direct mee aan de slag kan.

GEPUBLICEERD IN TIJD & TAAK, TIJDSCHRIFT VAN DE BANNING VERENIGING