ACTIEVE BEWAARPLAATS VAN ARTIKELEN,  INTERVIEWS EN COLUMNS.

Interview

Leestijd ongeveer 7 minuten‘Partijen moeten weer laten zien waar ze voor staan’

Tom van der Meer over waarden, kiezers en de betekenis voor de democratie

Door Evelien Polter

Foto: Richard Gilissen

Op het Roeterseiland van de Universiteit van Amsterdam spreekt Evelien Polter met politicoloog Tom van der Meer. De hoogleraar politicologie en auteur van Waardenloze politiek verzorgde in april dit jaar een bijdrage aan de Banning Leergang – een mooie aanleiding om hem te spreken. In zijn werk analyseert Van der Meer hoe politieke keuzes van partijen steeds minder zichtbaar worden en wat dat betekent voor de democratie. Hij pleit voor herpolitisering: verschillen moeten weer zichtbaar en politiek weer betekenisvol worden.

Wat was voor u de aanleiding om het boek Waardenloze politiek te schrijven?

“Een paar jaar geleden werd ik getriggerd door een column van Arnon Grunberg in de Volkskrant waarin hij schreef: ‘De essentie van democratie is niet dat er iets te kiezen valt, dat is consumentisme.’ Hij suggereerde een tegenstelling waar ik het fundamenteel mee oneens ben, omdat de meeste kiezers weloverwogen keuzes maken binnen een set partijen die bij hun waarden past. Ons verkiezingssysteem is gebaseerd op het idee dat burgers vooraf kiezen en partijen achteraf ter verantwoording roepen. Dat doen kiezers ook steeds nadrukkelijker. Maar juist op het moment dat zij dat doen, wordt hen dat verweten: ze zouden wispelturig zijn, als een balletje in een flipperkast, of een verwend kind. Dat doet geen recht aan hoe kiezers zich daadwerkelijk gedragen en aan hun rol in de democratie.”

Nederlandse verkiezingen draaien vaak om de vraag wie premier wordt. Waarom gebeurt dat – en is dat een probleem?

“Op zichzelf is het niet vreemd. In elke democratie speelt de strijd om macht en leiderschap een rol. Het wordt pas problematisch als die strijd de inhoud verdringt. Je zag dat bijvoorbeeld bij Wopke Hoekstra in 2021. Hij profileerde zich vooral als een soort ‘Rutte 2.0’: iets jonger, iets frisser. Daar is op zich niets mis mee, maar het risico is dat het inhoudelijke debat daardoor naar de achtergrond verdwijnt. En er speelt nog iets anders. In Nederland kiezen we geen premier, maar de campagne wekt vaak wel die indruk. Dat is een recept voor teleurstelling. Neem de laatste verkiezingen: de PVV werd de grootste partij, maar leverde niet de premier. Kiezers die juist op dat premierschap zijn gemobiliseerd, voelen zich dan misleid. Die teleurstelling richt zich uiteindelijk niet alleen op partijen, maar op het systeem zelf.”

U schrijft dat de opkomst van rechtse protestbewegingen samenhangt met een ‘vertechnocratiseerde’ politiek. Hoe werkt dat precies?

“Er spelen eigenlijk drie ontwikkelingen. De eerste is dat het politieke midden er vaak niet in slaagt om duidelijke alternatieven te bieden voor grote problemen, zoals woningnood of stikstof. Kiezers raken daardoor teleurgesteld en zoeken hun toevlucht tot partijen aan de randen. Met andere woorden: zonder herkenbare keuzes verliest het midden zijn aantrekkingskracht.”

Wat zijn de andere twee ontwikkelingen?

“De tweede is dat middenpartijen complexe kwesties vaak proberen te depolitiseren. Ze zoeken al vóór verkiezingen consensus, zonder het debat over verschillen te voeren. Daardoor krijgen kiezers geen echte alternatieven en kunnen partijen zich minder duidelijk profileren. De derde ontwikkeling is dat partijen vaak niet meer goed weten waar ze voor staan. Hun kernwaarden zijn onvoldoende scherp, waardoor ze campagne gaan voeren op thema’s die niet bij hen passen.” 

Wat zijn daar de gevolgen van?

“Dat zie je bijvoorbeeld bij migratie. In 2023 zette de VVD volop in op asielmigratie als speerpunt van hun campagne. NSC koppelde onderwerpen als zorg, onderwijs en wonen eveneens aan migratie. Zodra partijen migratie zo centraal stellen, kun je erop rekenen dat het winst oplevert voor radicaal rechtse partijen; dat blijkt keer op keer uit onderzoek. Zo heeft het midden in 2023, net als in 2002, zelf de overstap naar radicaal rechts mede in de hand gewerkt.”

U schrijft dat partijen ‘eigenaarschap’ hebben over bepaalde thema’s. Zo zijn partijen aan de linkerkant verbonden met onderwerpen als armoede, zorg en klimaat, maar benutten ze die associatie niet. Waarom laten ze die liggen?

“Daar zijn meerdere oorzaken voor. De belangrijkste is dat partijen – en vooral hun top – vaak geen helder beeld hebben van hun eigen kernwaarden en idealen. Zonder zo’n kompas is het lastig om een overtuigend verhaal te vertellen. Met andere woorden: wie niet weet waar hij voor staat, kan zich ook niet onderscheiden.”

Wat betekent dat in de praktijk?

“Dat partijen zich laten meeslepen door thema’s die eigenlijk niet bij hen passen. Ze proberen aantrekkelijk te zijn op onderwerpen die al door andere partijen worden gedomineerd. Het CDA is daar een goed voorbeeld van. Die partij trok jarenlang op met de VVD en nam economische thema’s over die niet aansloten bij hun eigen identiteit. Daardoor verloor zij juist een deel van haar traditionele, gelovige achterban.” 

Hoe kijkt u aan tegen de fusie tussen de PvdA en GroenLinks?

“De spanning tussen macht en inhoud speelt vooral bij de nieuwe partij PRO. Er is jarenlang gediscussieerd over samenwerking of fusie tussen de PvdA en GroenLinks, eventueel samen met de SP of zelfs D66. Vlak voor corona nam deze discussie een vlucht, mede dankzij opinieonderzoeker Peter Kanne. Het idee was dat één plus één drie zou worden. Als samenwerking primair voortkomt uit de wens om electorale kracht te bundelen, kan de focus verschuiven van inhoud naar machtsvorming.”

Stemwijzers laten zien dat de PvdA en GroenLinks vaak tot vergelijkbare oplossingen voor problemen komen. Is dat niet voldoende reden om van gezamenlijke koers te spreken?

“Niet per se. Eensgezindheid ver oplossingen hoeven niet te leiden tot eenzelfde koers. Het is goed mogelijk dat partijen het eens zijn over bepaalde punten, maar daar komen vanuit andere waarden. Denk aan een klein parkje in de buurt. Een liberaal ziet dat als ruimte voor individuele vrijheid, een sociaaldemocraat als publieke voorziening, een ecoloog als natuur, en een christendemocraat als plek voor gemeenschap. Juist die onderliggende waarden bepalen waar een partij echt voor staat.”

U noemde dat partijtoppen vaak meer gericht zijn op machtsbehoud dan op inhoud. Hoe werkt dat?

“De partijtop krijgt meer prikkels om hun aandacht te richten op de macht. Bij de PvdA is uitgebreid onderzoek gedaan naar de eigen waarden, onder leiding van Monica Sie van het Wetenschappelijk Bureau. Dat is uiteindelijk terzijde geschoven door de partijtop, omdat overwegingen rond machtsbehoud zwaarder wogen dan het uitwerken van een waardenverhaal. De inhoud en lange termijnvisie leggen het vaak af tegen korte termijn electorale belangen. Terwijl juist die inhoud nodig is om kiezers duurzaam te binden.” 

U schrijft dat medialogica een grote invloed heeft op de politiek. Wat doet dat met het debat?

“Als partij kun je jezelf krachtig profileren. Je hoeft niet mee te gaan in de mediastroom – je kunt ertegenin zwemmen, en soms wordt die tegendraadsheid juist gewaardeerd. Wilders heeft dat goed begrepen rondom het migratiethema: hij is compromisloos en daardoor heel herkenbaar. Bij Bontenbal van het CDA zie je dat hij de afgelopen jaren steeds weer verwees naar democratisch ethos, waarden, normen en gemeenschap. In elk debat kwam dat wel even aan bod. Je ziet dus dat dit bij meerdere partijen effectief is en dat je je als partij echt kunt wapenen tegen mediadruk.”

Heeft u daar nog een voorbeeld van?

“Neem Rob Jetten als fractievoorzitter onder kabinet-Rutte III: ook hij koos zijn eigen koers en bleef vasthouden aan zijn thema, wat hem onderscheidend maakte. Dat was de tijd dat hij de ‘klimaatdrammer’ was. Dat heeft daadwerkelijk geholpen bij de verkiezingen die volgden, waarbij Sigrid Kaag het zo goed deed voor D66. Bij die verkiezingen maakten mensen die bezig waren met klimaat de overstap van GroenLinks of PvdA naar D66. Herkenbaarheid is belangrijk, omdat je dan na verloop van tijd niet meer hoeft uit te leggen waar je voor staat. Een paar woorden zijn genoeg en mensen weten: dit is hun thema. Op de lange termijn helpt dat om je te onderscheiden. Op de korte termijn levert het misschien weinig op. 

Veel auteurs, zoals Ilja Leonard Pfeijffer en Roxane van Iperen, schrijven over het afbrokkelen van de democratie en schetsen een somber beeld. Hoe kijkt u daar tegenaan als politicoloog? 

“In Nederland zijn er pogingen geweest om democratische tegenkrachten buitenspel te zetten. Zo werd onder het kabinet-Schoof voorgesteld om het noodrecht te gebruiken voor de problemen rond de opvang van vluchtelingen. Dat zou betekenen dat rechters en de Tweede Kamer aan de kant zouden worden geschoven. Dat lukte niet, omdat Nederland een land van coalities is. In het geval van de regering Schoof was het NSC dat zich verzette tegen de noodwet.”

“Nederlandse politici zijn over het algemeen integer, ze zijn doorgaans echt bezig met de publieke zaak. En over het algemeen komen ze op voor het algemeen belang. Ons bestuur is hoogstaand, onze instituties functioneren goed. Dat betekent dat we kunnen bijsturen, maar legt ook verantwoordelijkheden bij politieke partijen. We moeten niet vergeten dat democratie altijd gepaard gaat met uitdagingen. Het feit dat er wrijving ontstaat tussen meerderheidsbesluitvorming en individuele rechten, of dat democratisch verkozen leiders instituties onder druk zetten, is zorgelijk maar niet nieuw. De situatie is niet uitzichtloos, maar vraagt om actieve inzet en duidelijke keuzes van politici en betrokken burgers.”

Bijna 80% van de kiesgerechtigden gaat stemmen bij de landelijke verkiezingen, maar onvrede blijft bestaan. Politicoloog Catherine de Vries publiceerde daarover het boek De symfonie van onvrede. Haar stelling is dat door de afbrekende sociale voorzieningen het maatschappelijke ongenoegen groot is. Deelt u haar opvatting? 

“Ik denk dat die onvrede vooral samenhangt met een democratie die niet voor iedereen even goed werkt. Ons systeem functioneert beter voor hoogopgeleiden dan voor anderen. Veel participatievormen sluiten vooral bij hen aan, terwijl ze voor lager opgeleiden weinig opleveren. Neem het correctief referendum – dat betekent weinig voor lager opgeleiden. Of denk aan grote schandalen als de toeslagenaffaire of het gasdossier in Groningen. Die raken het hart van de democratie: een betrouwbare en onpartijdige overheid.”


“Ondertussen worden grote beleidsvraagstukken als stikstof, klimaat en – de belangrijkste – wonen maar niet aangepakt. Dat zijn zaken die mensen direct raken. Dan is het niet zo vreemd dat onvrede blijft bestaan. Als mensen het gevoel hebben dat hun problemen niet worden opgelost, hoe tevreden kun je dan zijn over hoe de democratie werkt?”

Zou u zelf politicus willen zijn in deze tijd? Jeuken uw handen wel eens als u politici ziet optreden?

“Nee, absoluut niet. Ik denk niet dat ik daar een leuker mens van zou worden. Ik zou mezelf kunnen verliezen in de meest platte laag van het politieke spel – ik zou willen winnen ten koste van alles. Met andere woorden: het risico is dat bij mij de vorm het wint van de inhoud. Maar mijn voornaamste reden is dat mijn interesse ligt bij het bestuderen van het democratisch pluralisme, niet bij het vertegenwoordigen van één partij.” 

Bio Tom van der Meer
Tom van der Meer (1980) is hoogleraar Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder werkte hij bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij doet voornamelijk onderzoek naar politiek vertrouwen, kiesgedrag (electorale volatiliteit), politieke socialisatie, en sociaal kapitaal (burgerparticipatie, etnische diversiteit).

Tom van der Meer is medeoprichter van het Nederlandse politicologieblog StukRoodVlees.nl. Hij schreef boeken over de Nederlandse politiek – Niet de kiezer is gek (2017) en Waardenloze Politiek (2024) – naast een breed scala aan beleidsrapporten en opiniestukken.

GEPUBLICEERD IN TIJD & TAAK, TIJDSCHRIFT VAN DE BANNING VERENIGING