ACTIEVE BEWAARPLAATS VAN ARTIKELEN,  INTERVIEWS EN COLUMNS.

Interview

Leestijd ongeveer 8 minutenHet zogenaamde ‘moslimvraagstuk’ is geen feit maar een frame

In talkshows op televisie voorafgaand aan de verkiezingen hebben we vertegenwoordigers van radicaal-rechtse en conservatieve partijen veelvuldig horen spreken over de islam. Zo noemde SGP-lijsttrekker Chris Stoffer in een interview met NRC de islam een gevaar voor Nederland. Tijdens het SBS-verkiezingsdebat zei PVV-leider Geert Wilders dat de islam ‘niet in Nederland hoort’. JA21 plaatst haar islamkritiek centraal in haar verkiezingsprogramma en de BBB stelt voor om het openbare gebed door moslims op straat te verbieden. Deze partijen hebben een obsessie met moslims en fantasieën over het overnemen van Nederland door de islam.

Door Evelien Polter & Joke van der Neut

Foto: E. Polter

Sarah Bracke onderzoekt hoe dit radicaal-rechtse verhaal over het ‘moslimvraagstuk’ tot stand is gekomen, zij is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze gaf afgelopen jaren leiding aan het onderzoeksproject EnGendering Europe’s ‘Muslim Question’. Het resultaat van dit onderzoek werd op 13 november gepresenteerd en laat zien dat het zogenaamde ‘moslimvraagstuk’ geen feit maar een frame is: begrippen als ‘integratie’, ‘anders‑zijn’ en ‘omvolking’ zetten moslims neer als bedreiging en versterken uitsluiting. Wij interviewen haar vlak voor de presentatie.

In uw onderzoek gebruikt u de term ‘moslimvraagstuk’ Wat wil u hiermee laten zien en bereiken?

“Door in het onderzoek bewust te spreken van het ‘moslimvraagstuk’ wordt de schijnwerper op de samenleving als geheel gericht. We plaatsen het ‘moslimvraagstuk’ binnen eenzelfde analytisch kader als het ‘Joodse vraagstuk’ omdat bij het de opkomst daarvan in de negentiende eeuw evenmin draaide om de Joden zelf, maar om de manier waarop de Europese natiestaat met hun aanwezigheid worstelde. Toen vroeg men zich af of Joden konden integreren in de natiestaat en of hun loyaliteit te vertrouwen was. Dergelijke discussies klinken vandaag de dag opnieuw, ditmaal over moslims. We baseren onze bevindingen op stapels onderzoek waaruit blijkt dat in Europa discriminatie en stigmatisering van moslims een hardnekkig verschijnsel is en zelfs een stijgende lijn vertoont. We beseffen dat de term ‘het moslimvraagstuk’ wordt gebruikt door groepen die moslims willen problematiseren, maar daarom juist wilden wij die nu grondig onderzoeken en verhelderen. Dit debat past binnen een bredere, historische traditie waarin telkens de vraag centraal staat of specifieke groepen zich kunnen voegen binnen de natiestaat. Steeds opnieuw worden dergelijke groepen afgeschilderd als fundamenteel anders: als vreemde elementen die volgens critici niet in de samenleving te integreren zijn. Daarmee dreigt het gevaar dat deze mensen worden gedehumaniseerd en buiten de maatschappij geplaatst”.

U publiceerde al eerder ‘The Politics of Replacement: Demographic Fears’ over de omvolkingstheorie. Is er een verband met dit onderzoek?

“De ‘omvolking’ complottheorie speelt een prominente rol binnen het maatschappelijk debat over de aanwezigheid van moslims in Europa. Waar het gesprek vaak begint bij zorgen over rechten, bijvoorbeeld vrouwen- en/of homorechten, blijkt bij doorvragen steeds weer de angst voor demografische verandering te domineren. Wie spreekt van een ‘moslimprobleem’ in Nederland, verwijst impliciet naar de vrees dat de samenstelling van de bevolking fundamenteel zal verschuiven. Het denken in termen van ‘omvolking’ is allesbehalve nieuw. Het fenomeen kent een lange geschiedenis en verschillende gedaanten, met wortels die teruggaan tot het begin van de twintigste eeuw – en zelfs daarvóór. Zo waarschuwde de Amerikaanse president Theodore Roosevelt in 1902 in een bekende toespraak voor het gevaar van ‘race suicide’. Daarmee doelde hij op een dreiging die volgens hem samenhing met de komst van nieuwe migranten in de Verenigde Staten. Termen als ‘colonial stock’ werden gebruikt om de afstammelingen van de witte protestantse kolonisten te onderscheiden van latere katholieke, Joodse en Aziatische nieuwkomers. In Roosevelts visie was de zogeheten ‘Nordic race’ – bestaande uit Anglo-Saksen, Scandinaviërs en Duitsers – het ideaalbeeld. Deze denkbeelden doen in veel opzichten denken aan het hedendaagse discours over ‘homeopathische verdunning’, zoals dat door politici als Baudet wordt aangehaald. Waar het debat in Europa zich sterk toespitst op het zogenaamde ‘moslimvraagstuk’, zien we dat in de Verenigde Staten dezelfde retoriek wordt ingezet tegen uiteenlopende groepen, zoals Afro-Amerikanen, hispanics en Mexicanen. Daarmee reikt het omvolkingsdenken verder dan enkel religieuze minderheden. Het is een ideologie van witte suprematie”.

De titel van uw huidige onderzoek is EnGendering Europe’s ‘Muslim Question’. U bent hoogleraar sociologie van gender en seksualiteit. Wat hebben omvolkingstheorieën te maken met gender?

“Wanneer we uitzoomen naar een mondiale en historische context van het ‘omvolkingsdenken’ valt op dat dit denken steevast draait om twee mechanismen: migratie en geboortecijfers. Dat zijn de twee knoppen waaraan gesleuteld wordt om de samenstelling van een bevolking te beïnvloeden. Dit patroon is niet nieuw; de link tussen reproductieregime en bevolkingssamenstelling loopt als een rode draad door de geschiedenis van het omvolkingsdenken. Het gaat dus meteen ook over reproductieve rechten”.  

U werkt al meer dan twintig jaar bij universiteiten in Vlaanderen en Nederland. Naast uw werk als onderzoeker geeft u ook al jaren college en was u betrokken bij de studentenprotesten vanwege de genocide in Gaza. Is er in de afgelopen jaren veel veranderd?

“In het algemeen zie ik dat de kennis bij studenten over hoe macht werkt is afgenomen, actuele discussies over ongelijkheid worden door hen vaak teruggebracht tot identiteitskwesties. Dat betekent niet dat jongeren minder maatschappelijk betrokken zijn – integendeel, studentenprotesten tegen de genocide in Gaza, bewegingen als #MeToo en Black Lives Matter tonen juist hun inzet. Maar het vraagt meer uitleg in de collegezaal om inzicht te bieden in machtsstructuren die verder gaan dan het individuele niveau. Studenten betrekken gender, ras of klasse steeds vaker direct op hun persoonlijke ervaring waardoor het snel een individuele aangelegenheid wordt. Natuurlijk is het legitiem dat iemand zich buitengesloten voelt vanwege zijn of haar achtergrond. Maar als deze problematiek uitsluitend op het individu wordt gericht, blijft het structurele aspect onderbelicht. De neiging om sociale problemen op te lossen door het individu ‘erbij te halen’, verhindert het zicht op bredere mechanismen van uitsluiting en macht. Ik zie dit als het gevolg van meer dan vier decennia neoliberale dominantie, waarin de werking van machtsstructuren vaak verhuld wordt”.

Zijn er ook veranderingen op institutioneel niveau?

“Als we kijken naar de afgelopen twee jaar, blijkt uit rapporten van onder andere de KNAW – het hoogste wetenschappelijke orgaan van het land – dat de academische vrijheid meer onder druk komt te staan. Dat hebben velen van ons de laatste jaren ervaren, of het nu gaat over ‘anti-woke’ aanvallen op de universiteiten of over de gevolgen van het aankaarten van genocide in Gaza en de betrokkenheid van onze universiteiten daarbij”.

In een essay over academische vrijheid neemt u het begrip academische vrijheid en institutionele neutraliteit onder de loep. U haalt erin een uitspraak van Desmund Tutu aan: ‘If you are neutral in situations of injustice, you have chosen the side of the oppressor.’ Welke argumenten gebruiken de bestuurders om hun invulling van de academische vrijheid en neutraliteit te verdedigen?

“Toen de academische gemeenschap zich begon uit te spreken tegen de betrokkenheid van universiteiten bij de genocide in Gaza, werd neutraliteit binnen de universiteit opeens verheven tot het hoogste goed. In Nederland zagen we hoe dit argument niet alleen binnen mijn eigen instelling, maar ook elders werd aangehaald – bijvoorbeeld in de brief van universiteitsrectoren waarin neutraliteit werd bepleit. De aantrekkingskracht van zo’n ogenschijnlijk nobel standpunt is groot, maar het gevaar schuilt in het feit dat neutraliteit kan neerkomen op passiviteit tegenover misstanden. Wat opvalt, is dat het begrip institutionele neutraliteit vooral wordt ingeroepen op specifieke momenten, en niet consequent wordt toegepast. Toen Rusland Oekraïne binnenviel werd er nauwelijks over gesproken. Pas recent, in het licht van het conflict rond Palestina, kwam het argument opnieuw prominent op tafel. Dit selectieve gebruik roept vragen op over de werkelijke motieven en de effectiviteit van het neutraliteitsprincipe”.

Is die institutionele neutraliteit van universiteiten iets wat alleen vandaag de dag speelt?

“Lou de Jong, dé autoriteit op het gebied van Nederland over de nazi-bezetting, beschrijft in een van zijn omvangrijke werken, hoe Nederlandse universiteiten reageerden toen zij onder het Duitse regime Joodse hoogleraren en medewerkers moesten ontslaan. De Jong signaleert dat ongeveer de helft van de hoogleraren een petitie ondertekende tegen deze maatregelen, maar stelt direct de vraag: wat bewoog de andere helft om dat niet te doen? In zijn analyse citeert hij de overwegingen van deze groep – overwegingen die opvallend actueel klinken. Motieven als ’het behoud van neutraliteit’, ‘het beschermen van de toekomstige positie en financiering van de universiteit’ en zelfs angst om zelf het slachtoffer te worden, komen naar voren. De Jong merkt daarbij droog op dat de universiteiten destijds niet inzagen, of niet wilden inzien, wat er werkelijk op het spel stond. Opvallend is dat veel van deze redenen vandaag de dag opnieuw klinken in discussies over neutraliteit binnen het hoger onderwijs. Een belangrijk punt is dat conflict niet uit de weg moet worden gegaan. In het huidige maatschappelijke klimaat wordt strijd vaak bestempeld als polarisatie en daarmee negatief geframed. Dit ‘polarisatie narratief’ is politiek ingegeven en dient er soms toe om echte meningsverschillen te verdoezelen. Het vermijden van conflict kan ervoor zorgen dat belangrijke kwesties niet zichtbaar worden en dat noodzakelijke verandering uitblijft”.

U had in september in Antwerpen een publieksinterview met Judith Butler, een toonaangevende denker over gender. U sprak met haar onder andere over het nut van constructieve conflicten.

“In Butlers boek Wie is bang voor gender? komt dit thema nadrukkelijk terug. Butler wijst ook op het belang van het doorbreken van onopgeloste trauma’s. Blijven hangen in persoonlijk of collectief leed kan ertoe leiden dat trauma’s zich herhalen en ook anderen raken. Ze stelt de vraag of samenlevingen in staat zijn om zorg te dragen voor deze trauma’s, niet vanuit een individueel perspectief, maar collectief. Het doel: de overdracht van trauma’s tussen generaties en groepen doorbreken, en zo ruimte scheppen voor herstel.
We vinden in “Wie is bang voor gender?” in feite vijf concrete handelingsperspectieven: kritisch werk, politiek-strategisch werk, creatief werk, het smeden van allianties en collectieve zorg voor trauma’s. Deze benadering biedt niet alleen een analyse van de problemen, maar schetst ook een hoopvol perspectief voor maatschappelijke verandering. Het kritische werk omvat het onderzoeken, fact-checken en bevragen van bestaande aannames – een taak die steeds belangrijker wordt in een tijdperk van ‘alt-facts’. Politiek-strategisch werk richt zich op het bepalen van concrete stappen en het ontwikkelen van effectieve strategieën om verandering te bewerkstelligen, iets waar niet iedereen zich toe aangetrokken voelt. Tenslotte is er het creatieve werk, waarbij het verbeelden van alternatieven en nieuwe werelden centraal staat; zonder deze verbeeldingskracht blijft echte verandering buiten bereik.

Tijdens het interview werd Butler door het publiek gevraagd naar concrete oplossingen, waarop zij de kracht van het smeden van allianties benadrukte. Daarmee doelde Butler op samenwerking tussen vakbonden, politieke partijen en feministische bewegingen als een instrument om gezamenlijk op te treden tegen anti-genderbewegingen en vormen van fascisme. Butler benadrukt dat het vormen van allianties niet altijd comfortabel hoeft te zijn. Met andere woorden: wie zich te prettig voelt binnen een alliantie, werkt waarschijnlijk samen met te weinig of te gelijkgestemde mensen. Juist het ongemak wijst op de breedte en kracht van zo’n samenwerking. Butler voegt hieraan toe dat het vermogen om met ongemak om te gaan essentieel is in een complexe wereld. In haar visie draagt het neoliberale ideaal – het terugtrekken in de eigen privésfeer – bij aan maatschappelijke stilstand. Echte vooruitgang vraagt om het aangaan van ongemakkelijke gesprekken en het zoeken van verbinding buiten de eigen comfortzone”.

Is er hoop of bent u hoopvol?

“Hoop ligt er niet simpelweg voor het oprapen, maar is iets dat kan groeien een collectief proces wanneer mensen samen besluiten actie te ondernemen. Het is daarom misschien minder zinvol om te vragen of er hoop is maar wel wat we kunnen doen om hoop te creëren door concreet samen te werken. Juist in de allianties maken, met het aangaan van conflicten en het doorzetten in moeilijke momenten, groeit hoop en ontstaan nieuwe mogelijkheden. Verschillende voorbeelden uit de praktijk tonen aan dat samenwerking en het doorwerken van spanningen vaak leiden tot onverwachte kansen en perspectieven. Hoop is een werkwoord”.

GEPUBLICEERD IN TIJD & TAAK, TIJDSCHRIFT VAN DE BANNING VERENIGING