Evelien Polter

Interview

De strijd om een nieuw verhaal

Leestijd ongeveer 9 minuten

Esther-Mirjam Sent, de nieuwe PvdA-voorzitter, vertelde tijdens de speech bij de aanvaarding van haar voorzitterschap dat zij een nieuw sociaaldemocratisch verhaal wil, geïnspireerd op het Van Waarde-onderzoek. Jet Bussemaker benadrukte in haar boek Verbeelding aan de macht al het belang van dat nieuwe verhaal en riep op tot een herwaardering van het Van Waarde-project. Hans Boutellier is een van de wetenschappers die bij het project betrokken was. In zijn nieuwste boek, het deze zomer verschenen Het nieuwe Westen, laat hij de strijd om het nieuwe verhaal zien. Wij spraken Boutellier daarover.

Door Evelien Polter en Joke van der Neut

U stelt dat het Westen zich schuldig heeft gemaakt aan uitputting van de aarde en uitbuiting van andere volkeren. En dat, nu die dominantie verleden tijd is, het Westen in een identiteitscrisis verkeert. Uw boek gaat over de verbeelding van het nieuwe Westen. Is die verbeelding het begin van een nieuw verhaal?

Bas Heijne schreef vroeger in bijna elke column: ‘We hebben behoefte aan een nieuw verhaal.’ Ik heb wel eens tegen hem gezegd: ‘Maak maar eens een beginnetje.’ De samenleving is gefragmenteerd, superdivers van bevolkingssamenstelling en geïndividualiseerd, daar heb je niet zomaar een nieuw verhaal bij. Ik ben lid van de PvdA en snap de behoefte van Sent en Bussemaker. Ik zie in de samenleving een strijd om dat nieuwe verhaal. In het laatste hoofdstuk probeer ik een paar condities te formuleren zodat het nieuwe verhaal kan ontstaan.

U benoemt drie crises: klimaat, sociaaleconomisch en sociaal-cultureel. Op alle drie terreinen is nieuwe verbeelding nodig. U behandelt vooral de strijd op het gebied van identiteit. Waarom focust u zich daarop?

Mijn vraag is hoe het komt dat de politieke strijd zich zo sterk in die identitaire termen voordoet. Dat probeer ik te analyseren. Zonder daar een voorstander van te zijn. Sterker nog, ik zie daar eigenlijk grote problemen. Die strijd heeft te maken met de crisis van het Westen. We weten niet meer waar we voor staan. Wat zich aanbiedt als alternatieven, bevindt zich aan de rechterkant van de politiek. En van radicale linkse denkers als Ewald Engelen en Willem Schinkel schrik ik terug. Ik ben geen voorstander van dat revolutionaire denken – je weet niet waar het eindigt. In die zin ben ik een echte sociaaldemocraat. 

De grotere verhalen uit de ideologische twintigste eeuw, waar de sociaaldemocratie een sterke zuil was naast de andere zuilen, zijn geërodeerd. In plaats van die grote verhalen is er een pragmatisch regime ontstaan dat handelt naar bevind van zaken, met twee grote criteria: effectiviteit en efficiëntie. Dat noem ik een pragmacratie. Die pragmacratie is redelijk succesvol geweest, maar het is een samenlevingsmodel zonder verhaal. Het is een moreel-politiek model waarin ‘de redelijkheid’  domineert. Geleidelijk is de pragmacratie in de eenentwintigste eeuw afgegleden naar een wantrouwende, strikt bureaucratische geprotocolliseerde staat, inclusief de organisaties die de overheid vormgeven. Er is daar verzet tegen op alle mogelijke manieren, maar vooral in identitaire termen. Deze dominante bestuurscultuur wordt – terecht – ontmaskerd als het geprivilegieerde speelveld van hoogopgeleide mannelijke hetero-boomers. Met andere woorden die pragmacratie loopt op zijn einde.

Het Van Waarde-onderzoek van de Wiardi Beckman Stichting probeerde tegenover die pragmacratie andere waarden leidend te maken binnen de PvdA. U hebt daar ook aan meegewerkt. Dat was toch een poging om het PvdA-beleid een andere kant op te duwen?

Het Van Waarde-onderzoek zocht naar waarden waar we ons als sociaaldemocraten weer door kunnen laten leiden. Ik vond die inspanning geweldig en dat was in 2013 al een poging tot het formuleren van een nieuw verhaal. 

In uw analyse behandelt u het begrip ‘waarheid’ en hoe dat in het Westen vorm heeft gekregen. Het biedt ruimte voor andere waarheden en is tegelijkertijd de voedingsbodem voor identiteitspolitiek. 

Welke relatie ziet u tussen de identitaire crisis en het begrip waarheid?

De Westerse cultuur kenmerkt zich vanaf de Verlichting door het feit dat het diepe twijfel toelaat. De uitspraak van Descartes: ‘Ik denk dus ik ben’, is in feite: ‘Ik twijfel dus ik ben’. Ik kan nadenken over alles, over alle alternatieven. De socioloog Max Weber heeft ooit gezegd: ‘Een wetenschapper is op zoek naar de waarheid in de hoop dat die achterhaalt zal raken’. Dé waarheid is een stip op de horizon die je nooit gaat bereiken. Maar je bent wel waarachtig in het feit dat je die waarheid nastreeft. Dat idee van waarheid als streven dreigt verloren te gaan. Op het moment dat je dat kwijt bent kan alles. Dan kun je zeggen dat bij de inauguratie van Trump meer mensen waren dan ooit, terwijl dat evident niet zo was.

Op het moment dat je niet meer gezamenlijk op zoek bent naar grotere waarheden in het leven, dan kies je iets wat dichterbij ligt. Dan klampen mensen zich vast aan wat ze zelf zijn, hun huidskleur of hun sekse of een heilige overtuiging. Dat voedt de identitaire strijd. Het is politiek die vertrekt vanuit: dit ben ik en zo verhoud ik me tot het collectief. In die zin komen Black Lives Matter en ‘de borealen’ overeen. Maar er is een groot verschil tussen beiden, want de een strijdt voor gelijkheid en de ander tegen gelijkheid. Een principieel verschil dat uiteindelijk terug te voeren is op artikel 1 van de grondwet.

U noemt wederkerigheid als alternatief voor de pragmacratie. Hoe is dit een alternatief en kunnen zulke zachte krachten het winnen?
Het begrip wederkerigheid is nuchterder dan verbinding en sociale cohesie. Ook in onze caleidoscopische wereld van verschillen zijn sociale relaties gebaseerd op geven en ontvangen, teruggeven of doorgeven. Het is zelfs bij uitstek relevant in een verbrokkelde wereld. Het nieuwe Westen begint bij de wederkerige kwaliteit van haar organisaties en instituties. Scholen kunnen zeggen: We leveren goed onderwijs, ben je niet tevreden, laat het ons weten, maar kun jij dan zorgen dat je kind een beetje uitgerust op school komt. Zo creëer je een relatie, vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid. 

Het onderwijs heeft veel ruimte om een eigen invulling aan haar taak te geven. Daar heeft de regering eigenlijk heel weinig over te zeggen, alleen over de kaders. Wederkerigheid schept daarbinnen condities voor momenten van gemeenschappelijkheid en verhalen van erkenning. Je streeft als school in principe naar zo goed mogelijk onderwijs. Dat kun je zien als kernfunctie. Er ligt als het ware een immanente betekenis besloten in die praktijk. Vervolgens kun je gaan twisten wat dan dat goede onderwijs is. Daar ontstaat de visie.

Lokale en landelijke politici vergeten vaak dat er heel veel organisaties tussen hen en de burgers zijn die het eigenlijke werk doen, die voor de burger echt van belang zijn. Je doet er als wethouder of Kamerlid vaak niet zoveel toe. Een school of een woningcoöperatie is voor burgers belangrijker. Ik zet in het denken over oplossingen in op die organisaties, instituties en praktijken. Door de verzuiling destijds hebben we een groot middenveld met machtige organisaties. Daar hadden we in het Waarde-onderzoek meer aandacht aan moeten besteden.

Politieke partijen zijn ook een soort pragmacratie geworden doordat het er voor hen vooral om gaat dat er zoveel mogelijk mensen op ze stemmen. De partij wordt in dienst gesteld van dat doel terwijl de middenpartijen ideologisch gedreven waren. Hoe realiseer je binnen een politieke partij wederkerigheid? 

Een partij is betekenisgever of zou dat moeten zijn. Politieke partijen kunnen bijdragen aan het creëren van de verhalen om die praktijken tot spreken te brengen en daar de keuzes in te maken. Re-politisering kan door in de politiek meer oog te hebben daarvoor en de problemen van de professionals die zo goed mogelijk onderwijs of zorg willen leveren. Met de behoeften en meerstemmigheid in de praktijken kun je de politiek voeden en dat kan tot nieuwe grotere verhalen leiden. 

In uw boek analyseert u hoe nationalisme een rol speelt bij emancipatie van identiteiten en bij de verbeelding van gemeenschappelijkheid, maar ook een duistere keerzijde heeft. Hoe staat u persoonlijk tegenover het nationalisme?
De identitaire strijd speelt zich voor een groot deel af via de nationale identiteit. Dat verbaast me. Klaarblijkelijk zit daar een sentiment waar je niet helemaal omheen kunt. Gevoelsmatig ben ik terughoudend om daar te veel op te tamboereren. Je kan wel een beetje trots zijn als Nederland op de schaats staat en het goed doet met voetballen. Maar ik kan daar geen perspectief in zien.

De Westerse samenleving heeft iets fantastisch ontwikkeld, namelijk de democratische rechtstaat. Daar kan je trots op zijn en je moet ernaar streven dat daar beter vorm aan wordt gegeven. Als je je voegt naar de rechtsorde, beschermt de rechtsstaat je tegen inbreuken op wat jij wil zijn. Dat vind ik echt een ongelofelijk verworvenheid. Zelfs als je zegt dat de democratische rechtstaat ook maar een geloof is, dan is dat wel een geloof dat elk ander geloof in principe beschermt. Dat is ook wederkerigheid, op een heel groot niveau. 

Is dat typisch Westers?
Menselijke waardigheid en mensenrechten zijn niet per se uniek Westers. Maar het model dat daaromheen gecreëerd is – elk individu doet ertoe, we kiezen ons eigen bestuur, er zijn checks en balances in het systeem om te voorkomen dat de massa op een gegeven moment de overhand neemt, er is een rechtelijke macht die tegen kan spreken –  is uniek.

U heeft zich altijd veel beziggehouden met veiligheidsvraagstukken. Ondermijnt de georganiseerde criminaliteit de rechtstaat?
De moorden op advocaat Derk Wiersum en misdaadverslaggever Peter R. de Vries zijn extreme uitwassen van iets wat ik echt zorgelijk vind. Dat is ongebreideld en keihard puur geldgedreven kapitalisme. Op sommige plaatsen neemt dat de overhand. Daar verbindt de criminaliteits- en veiligheidsproblematiek zich met de handhaving van de rechtstaat. Je moet voorkomen dat die rechtstaat wordt ondermijnd door een soort crimineel kapitalisme.

Wat kunnen we doen in de strijd tegen drugscriminaliteit?
Het is een uit de hand gelopen kapitalisme dat alleen maar op groei, geld en hebzucht is gericht. In morele zin is het onduidelijk wat we als samenleving van drugs vinden. We hebben het gebruik heel lang gerelativeerd. Drugsgebruik is zo genormaliseerd. Een maatschappelijk debat zou ervoor kunnen zorgen dat we meer het gevoel krijgen wat we ermee aan moeten.
Er is een grote discrepantie tussen de wetgeving en de naleving. De drugshandel heeft zich genesteld in de armere wijken, waardoor daar veel overlast is en jonge jongens zich laten meetrekken in de drugswereld. We hebben een financiële sector die bij uitstek geschikt is voor witwaspraktijken. In de Rotterdamse haven is het een enorm probleem en in Brabant wordt het chemisch afval gedumpt in natuurgebieden. Het is uiteindelijk ondermijnend voor de hele samenleving. 

Nog even terug naar uw boek. U besteedt ook aandacht aan het boek Witte mensen, Joden en wij, geschreven door de Algerijns-Franse Houria Bouteldja. De schrijfster keert zich tegen de Franse staat, die Arabische vrouwen losrukt van hun cultuur.
Bouteldia laat je ervaren wat het is om een moslimvrouw te zijn in Frankrijk. Ik ervaar daardoor in welke bevoorrechte positie ik me bevind en dat vind ik in toenemende mate ongemakkelijk. Ik ben betrokken bij het Kennisplatform Integratie en Samenleving, de opvolger van Forum. In die context heb ik veel contact met mensen met een migratieachtergrond. Jonge mensen daar zeiden wel tegen mij: ‘Wat ben je nog vitaal op jouw leeftijd, als ik dat vergelijk met mijn vader.’ Als je dan hoort wat zo’n vader achter de rug heeft, dan zie ik wel dat hij een heel ander leven heeft gehad.

U omschrijft uzelf in uw boek als ‘witte mannelijke boomer’. Vindt u dat u het recht heeft om u uit te laten over de identitaire strijd van de MeToo-beweging en Black Lives Matter?
Het idee dat je je niet zou mogen uitlaten over de identiteit van een ander, dat vind ik absurd. Eén van de capaciteiten van de mens is dat hij zich kan verplaatsen in een ander. Dat is juist een heel belangrijke conditie voor politiek, dat je je kunt verplaatsen in het lot van de ander.

In dat licht: hoe komt het Westen in het reine met haar gewelddadige verleden?
Ten einde overeind te blijven moet het Westen op de knieën. De erkenning van het slavernijverleden, daar komen we niet onderuit. In de VS is de oorspronkelijke bevolking gedecimeerd en woont in reservaten. Hen is een groot onrecht aangedaan vanaf 1492 na de ontdekking van Amerika door Columbus. Door de druk uit de multiculturele samenleving is dat nu urgent. In die context en verhoudingen vind ik het terecht dat het Westen op de knieën gaat. Dat zie ik geleidelijk aan ook gebeuren. We hebben echter ook iets om trots op te zijn, iets waar de onderdrukten baat bij kunnen hebben: de democratische rechtstaat. De Tsjechische schrijver Václav Havel zegt: ‘De rechtstaat moet niet alleen juridisch maar ook politiek, moreel en sociaal in orde zijn.’ Het nieuwe Westen moet in het reine komen met zijn gewelddadige verleden. Maar het heeft daarbij een groot geschenk aan de wereld: de liberale democratische rechtsstaat. Die moet groots zijn en voor iedereen functioneren. Een rechtsstaat van wederkerige praktijken – dat is de hoop voor het nieuwe Westen.

U draagt het boek op aan uw kleinkinderen. Welke betekenis heeft dat?
Ik ben ongerust over de toekomst. Ik probeer een sprankje hoop te houden maar vind het een zorgelijke tijd. Ik hoop voor mijn kleinkinderen dat het goed gaat met de wereld. 

Hans Boutellier richt zich als bijzonder hoogleraar Polarisatie & Veerkracht aan de Vrije Universiteit, en voorheen als directeur van het Verwey-Jonker Instituut, al decennia op sociale vraagstukken. Hij is vanaf zijn studietijd vooral geïnteresseerd in wat niet deugt. Welk gedrag wijst een samenleving af en hoe reageert zij daarop? Boutellier bewandelt daarbij twee sporen. In zijn boeken analyseert hij de sociaal-culturele bewegingen en maakt zo de grote lijnen zichtbaar. Daarnaast adviseert hij instellingen, bestuurders en politici concreet en beleidsmatig. Boutellier signaleert dat er na de ontzuiling een bepaald type samenlevingsmodel ontstond, dat hij pragmacratie noemt. Hij constateert in Het nieuwe Westen groeiend verzet tegen die pragmacratie. 

GEPUBLICEERD IN TIJD & TAAK, TIJDSCHRIFT VAN DE BANNING VERENIGING